IQ onder 130, dus niet hoogbegaafd?

Er zijn verschillende definities van (hoog)begaafheid. Opvallend is dat wij in Nederland nog dikwijls als criterium voor hoogbegaafdheid een totaal IQ van boven de 130 willen zien.

Modellen 

Het 3 ringen model van Renzulli spreekt over (hoog)begaafdheid als een combinatie van ‘above average abilty’, ‘task commitment’ en ‘creativity’. Bovengemiddelde cognitieve capaciteiten dus; een veel ruimer gebied dan de smalle zone van de ca. top 2% die een score van boven de 130 behaalt.

Het DMGT-model van Gagné houdt een gebied van de top 10% aanleg op een gebied, dat kan ook een deelaspect van cognitieve capaciteiten zijn, zoals geheugen of verbale capaciteiten.

Welk model hanteert eigenlijk wel die strenge grens van een IQ op minimaal 2 standaarddevaties boven het gemiddelde?

En wat betekent het dat er in het buitenland wordt gesproken over giftedness, en dat wij het hebben over hoogbegaafheid in plaats van begaafdheid?

Inter- en intrapersoonlijke verschillen 

Uit internationaal onderzoek met cognitieve capaciteitentests die een veel hoger plafond hebben dan die in Nederland, waarbij voor de normen veel grotere steekproeven zijn getrokken dan de veelgebruikte Nederlandse tests, blijkt dat er groepen te onderscheiden zijn op basis van scores op cognitieve capaciteitentests, en dat met die scores een aantal eigenschappen samenhangen.  Als je kijkt naar kenmerken op groepsniveau, dan zijn er verschillen tussen deze groepen (begaafd, zeer begaafd, uitzonderlijk begaafd) op te merken. Hoe meer begaafd, hoe ‘anders’ en hoe meer onderwijsaanpassingen er nodig zijn, zou bijvoorbeeld kort door de bocht kunnen worden gesteld.
Waar echter nog wel eens aan voorbij wordt gegaan, is dat er binnen de groepen nog enorm veel verschillen zijn tussen mensen. En zelfs een persoon kan in zich nog heel verschillende sterke en minder sterke kante hebben, de wijze waarop (hoog)begaafdheid in aanleg en prestaties aanwezig zijn verschillen enorm.

Belang van een individu

Hoe kan het dan in een indivueel belang zijn om een score van onder de 130 te beschouwen als bewijs van dat iemand dus niet hoogbegaafd is, en dus bepaalde behoeftes niet zou hebben?

Toch gebeurt dit nog regelmatig in de praktijk: er zijn begaafdheidskenmerken gezien, een kind vertoont problemen en er wordt een intelligentietest afgenomen om te beoordelen of de problemen met (hoog)begaafdheid te maken kunnen hebben. Zeker gezien de karakteristieken van de WISC-III-NL (binnenkort komt de WISC-V, maar een aantal kenmerken die belemmerend kunnen zijn voor begaafde kinderen blijven van kracht), kunnen er vooral lagere scores op performaal gebied worden behaald, en wordt het lastig een TIQ boven de ‘heilige’ 130 grens te behalen.  Er wordt helemaal voorbij gegaan aan de ruime betrouwbaarheidsintervallen, en die zijn er niet voor niets: IQ-scores zijn schattingen van de werkelijke score, die met 95% zekerheid binnen een bepaalde bandbreedte zou vallen.

Ik krijg nog te vaak signalen uit de praktijk dat een lagere score wordt aangevoerd als bewijs om de hypothese (hoog)begaafdheid te verwerpen. Terwijl er vele redenen zijn waarom een kind zelfs lager kan hebben gescoord dan wat hij of zij werkelijk kan, en er ook nog beperkingen aan een test zitten. Tel daarbij op de vraag naar het nut van die strenge grens van de top 2%- gezien hetgeen hierboven aangegeven over verschillen tussen personen in groepen en de veel ruimere gebieden die de modellen aanhouden.

Ook wordt in mijn opvatting nog te vaak ten onrecht ervan uit gegaan dat iemand met een  score op begaafd niveau op een of meerdere onderdelen van een cognitieve capaciteitentest voldoende zou moeten hebben aan het reguliere onderwijsaanbod. Een kind met een zeer hoge intelligentie kan met name door de tijdsgebonden onderdelen en de aanspraak op de motoriek lager scoren dan het werkelijke niveau van de cognitieve capaciteiten – de zuivere redeneringsvaardigheden.

Of je nou een cognitieve capaciteitentest afneemt of niet, het komt er in mijn optiek toch op neer dat je hoe dan ook moet aansluiten bij de unieke kenmerken van een individu en dat géén kans geven, of niet het voordeel van de twijfel geven, mij onwenselijk lijkt.

Nederland: verschillen tussen scores boven de 130 

Verder wil ik nog aangeven: In Nederland berusten WISC-III-NL scoreverschillen boven de 130  vooral op toeval! Je kunt dus niet stellen dat iemand die een WISC-III-NL TIQ van 131 behaalt een stuk minder intelligent is dan iemand die op die test TIQ 145 scoorde. Dit heeft te maken met de kleine steekproef die gebruikt is bij het ontwikkelen van de normen.

De ene test is de andere niet

Ook vind ik het van belang aan te geven dat elke cognitieve capaciteitentest een eigen defintie van die capaciteiten heeft, en een wat andere operationalisatie ervan (de wijze waarop het gemeten wordt). De samenhang tussen verschillende tests is niet bij alle tests even groot. Je kunt geen appels met peren vergelijken. Een SON-IQ laat iets anders zien dan een RAKIT-IQ.

Dynamisch testen

Statische (eenmalige, zonder training/hints/hulp) testafnames laten zien wat een kind tot op dat moment heeft ontwikkeld/geleerd en zonder hulp kan laten zien. Dit geeft nog geen concrete informatie over het leerpotentieel van het kind, en wat het kind nodig heeft om zich te ontwikkelen. Dynamisch testen, waarbij er juist beoogd wordt het leerpotentieel in kaart te brengen, is gelukkig in opkomst. Zie het Proefschrift van Bart Vogelaar.