Differentiated model of giftedness and talent – Gagné (2010)

In dit artikel zal ik het DMGT-model van Gagné (2010) toelichten en uitleggen hoe dit model bruikbaar is bij vraagstukken rondom (hoog)begaafdheid en onderpresteren.

Talentontwikkeling

Het model van Gagné gaat over de ontwikkeling van talent, en geeft de factoren weer die daarbij een rol spelen. In dit model is te zien hoe aanleg, factoren in een persoon zelf en in diens omgeving van invloed zijn op een ontwikkelingsproces. Dat ontwikkelingsproces bepaalt hoe en in welke mate grote aanleg op een of meerdere gebieden tot uitdrukking komt in een of meerdere prestatiegebieden.

Aanleg vs. prestaties

Aan de linkerzijde van het model staan ‘Natural Abilities/ Gifts’ (aanleg), en aan de rechterzijde ‘Competencies/ Talents’ (prestaties).

Ontwikkelingsproces met katalysatoren: omgevingsinvloeden en intrapersoonlijke eigenschappen

In het midden van het model staan omgevingsinvloeden en intrapersoonlijke kenmerken. Beide werken als katalysator op het ontwikkelingsproces. Ook de aanleg is van invloed op het ontwikkelingsproces. De aanleg, katalysatoren en het ontwikkelingsproces worden beïnvloed door toeval.

Domeinspecifiek 

Dit model gaat ervan uit dat (hoog)begaafdheid domeinspecifiek is. Oftewel, iemand kan op een bepaald gebied een grote aanleg hebben, en op een bepaald gebied uitzonderlijke prestaties laten zien.

Top 10%

Dit model gaat bij begaafdheid uit van top 10% in aanleg en/of prestaties.  Er wordt binnen die top 10% geen verdere ordening aangebracht, er is geen specifiek onderscheid tussen begaafd en hoogbegaafd gemaakt.

Herkenning van grote aanleg

Een grote aanleg op een vlak is te herkennen aan een enorm gemak waarmee kennis en vaardigheden op dat vlak worden opgebouwd. Als iemand met geringe oefening tot goede beheersing komt, of met minimale inspanning dingen weet of begrijpt, mag je gaan denken aan een sterke aanleg op dat vlak.

Verder ontwikkelen

Of en wat iemand verder doet met zijn of haar grote aanleg, is van vele factoren afhankelijk, zoals in dit model weergegeven.

Verschillende uitkomsten

HIeronder worden twee voorbeelden geschetst van de manier waarop een grote aanleg al dan niet tot opvallende prestaties kan leiden.

Iemand kan zonder enige noemenswaardige inspanning op het vlak van school en huiswerk goede resultaten behalen. Toch hoeft zo’n leerling niet op te vallen, omdat er geen extreme prestaties worden neergezet. Dit is een voorbeeld van relatief onderpresteren.  De energie wordt vaak gestoken in (buitenschoolse) zaken die de leerling veel interessanter vindt. De grote aanleg is echter niet volledig zichtbaar in schoolprestaties, en het onderpresteren wordt niet altijd ontdekt. Dit  kan er wel toe leiden dat bepaalde vaardigheden minder goed worden ontwikkeld en de persoon minder goed in zijn of haar vel komt te zitten. Het kan evenwel ook leiden tot opvallende prestaties, gepaard met veel plezier en inzet, op vlakken die de persoon zelf gekozen heeft. Dit wil nog wel eens het geval zijn bij creatieve begaafde leerlingen, die niet altijd de uitblinkers (als het gaat om cijfers en werkhouding) op school zijn.

Een ander voorbeeld is dat iemand van jongs af aan veel energie en tijd heeft gestoken in het ontwikkelen van bepaalde vaardigheden, bijvoorbeeld het bespelen van een muziekinstrument. Als er sprake is van een grote aanleg, dan kan die grote hoeveelheid oefening en inspanning leiden tot grootste prestaties op muzikaal gebied. In zo’n situatie is de grote aanleg tot uitdrukking gekomen in bijzondere prestaties.

Onderpresteren

Bij een vermoeden van onderpresteren kan het goed zijn aan de hand van dit model te bekijken of er aanwijzingen zijn dat er een sterke aanleg is die niet helemaal tot bloei lijkt te komen. Vervolgens kunnen er belemmeringen worden gesignaleerd, die ervoor zorgen dat het ontwikkelingsproces niet optimaal verloopt. Er kan worden gewerkt aan manieren om die belemmeringen te overkomen, door interventies in de omgeving en/of de persoon zelf. Het kan daarbij om van alles gaan, van een training van leerkrachten in het aanbieden van verrijkt onderwijs, tot cognitieve gedragstraining om aan belemmerende overtuigingen in de persoon zelf te werken, tot het bieden van hulpmiddelen om minder last van een fysieke handicap te hebben.

Meerdere bronnen

Voor het verzamelen van gegevens is het raadzaam gebruik te maken van meerdere bronnen, te denken valt aan zowel een kind zelf,  als de ouders, leerkracht(en), vrienden, sporttrainer, muziekdocent, als (psychologische, medische) onderzoeksgegevens.